Noordkronieken: Kerstverhaal

Dit is het verhaal van Jannie, die haar hele leven in envelopjes stopte. Jannie was mijn buurvrouw op de Jasmijnstraat, toen ik daar acht jaar geleden kwam wonen. Ze was toen al 86. Ik leerde haar kennen op een zomeravond, toen ik naast haar ging zitten op een bankje aan de Ranonkelkade. Het ging niet zo goed met mij, toen: ik had liefdesverdriet, mijn geld was op, het werken aan de Tolhuistuin was ingewikkeld. Maar daar had Jannie helemaal geen belangstelling voor. Ze begon meteen aan haar levensverhaal. Hoe ze hier bijna vijftig jaar geleden kwam wonen, met haar man Karel. Hij was electricien en nu al vijftien jaar dood. Samen kregen ze twee dochters en een zoon, Bert, maar die had ze verloren bij een motorongeluk. Haar drie kleinkinderen woonden nu in Almere en Purmerend.

Die zomer zaten we daar vaker, op dat bankje. En Jannie zat nooit om een praatje verlegen. Op een avond onderbrak ik haar en zei: ‘Jij vertelt altijd zoveel. Het houdt nooit op. Waarom luister je niet eens naar de verhalen van iemand anders?’

Ze keek me aan, met die scherpe oogjes: ‘Luister, jongen. Jij bent veertig jaar jonger dan ik. Dus ik heb veertig keer zoveel te vertellen. Mijn hoofd zit er vol mee, met al die verhalen. Die moet ik toch ergens kwijt?’

Toch moest ze er even over nadenken, dat zag ik.

Twee weken later kwam ik haar op een middag tegen bij de slager, Nick Bos aan het Mosplein. Ze was hevig verontwaardigd. Daarnet was er bij haar aangebeld. Er stonden twee studenten aan de deur. Of ze haar wat mochten vragen. Ze deden onderzoek naar eenzaamheid bij oudere mensen in de buurt.

Eenzaamheid!

Jannie kon er niet over uit. Ze stond bijna te stampvoeten. Eenzaam, zij? Haar twee dochters kwamen regelmatig op bezoek. Haar kleinkinderen ook, en anders stuurden ze wel een ansichtkaart. Bovendien: ze had ook nog een huis vol spullen. Daar zaten allemaal herinneringen aan vast. En in haar hoofd had ze er nog veel meer.

‘Kom maar eens kijken, jongen, je weet niet wat je ziet.’ Nou was ik nog nooit bij haar binnen geweest, dus ik liep met haar mee. Stampvoetend liep Jannie over de Van der Pekstraat terug naar huis.

En inderdaad. Dat benedenhuisje van haar zat helemaal vol. Schilderijtjes aan de muur, foto’s op het kastje, spiegels, drie hangklokken, een parkiet – en zeker honderd gekleurde hondjes. Want die bleek ze te verzamelen. Van al die hondjes wist ze nog precies waar ze ze gekocht of gevonden of gekregen had. Die rooie op het Mosveld. Die rolmops op de Westermarkt. En die blauwe labrador met gele stippen in Oostende, waar ze met Karel wel eens een zomervakantie had doorgebracht.

Waar ze vandaan kwamen vertelde ze de hele dag aan al die schilderijtjes, de hangklokken, de spiegels en vooral die hondjes. Alleen: ze zeiden nooit iets terug. Ja, de parkiet. Dat was een lief beest, hoor, maar die had geen idee. Die interesseerde zich alleen maar voor eten.

‘En jonge mensen praten ook nooit terug,’ mopperde ze. ‘Ja jij, maar jij bent ook niet meer zo piep, natuurlijk.’

Het was een mooie oktobermiddag. We besloten naar ons bankje aan de Ranonkelkade te lopen. En opeens, terwijl ze naast me voortschuifelde, begon ze ook onderweg haar herinneringen op te sommen.

‘Kijk, over deze stoeptegel struikelde Gerda, mijn oudste. Haar eerste bloedneus. En aan die stoeptegel hebben ze nog altijd niks gedaan. Daar, aan de overkant woonden Mien en Johan. Lieve mensen. Maar die zijn geëmigreerd naar Nieuw-Zeeland. Al jaren geleden. En hier,’ we stonden stil bij ons bankje aan de Ranonkelkade, ‘hier kreeg ik mijn eerste kusje, van Willem.’

Intussen begreep ik steeds beter waarom Jannie zo kwaad geweest op die studenten. Eenzaamheid is iets leegs. Eenzaam betekent dat je leven leeg is en je dagen kaal. Eenzaam ben je pas als alles en iedereen weg is.

Maar het leven van Jannie zat juist boordevol. Zoveel herinneringen, zoveel verhalen. Alle mensen en alle plekjes die daarbij hoorden, die waren er niet allemaal meer, maar dat maakte haar hoofd niet minder vol.

Vandaar dat ze nooit zo goed kon luisteren. Naar mij niet, naar andere mensen ook niet. Al die herinneringen, verhalen, plekjes en mensen, die moest ze kwijt. Al die Karels en Gerda’s en Berts en Willems en Miens en Johans, die mocht ze toch niet vergeten! Dat ze er maar nooit over ophield was eigenlijk vooral een bewijs van hoe lief ze was, mijn buurvrouw Jannie. Ze had gewoon een heel groot hart.

Alleen: ze begon dingen te vergeten. Dat merkte ik voor het eerst toen ze haar parkiet elke keer een andere naam gaf. Ze wist gewoon niet meer hoe het beestje heette.

Op een dag zei ik: weet je wat, schrijf het op. Maak er een briefje van en dat leg je neer waar het verhaal hoort, op de plek van de herinnering.

Jannie nam het zowaar serieus. Heel serieus. Toen ik de volgende dag langs de Ranonkelkade fietste, zag ik op ons bankje een envelop liggen. Ik stapte af. Er was niemand in de buurt. Ik maakte de envelop open. Hij was niet dichtgeplakt.

‘Hier heb ik mijn eerste kusje gekregen. Van Willem. Ik was zestien. Hij was twee jaar ouder. En hij had van die kuiltjes in zijn wangen als hij lachte. Daarom liet ik hem mij een kusje geven. O ja. Dit is geheim. Mijn Karel mag het niet weten. Echt niet. Dus: niet doorvertellen hoor!’

De volgende dagen kwam ik meer enveloppen tegen. Sommige waren al opengemaakt. Anderen mensen wilden blijkbaar die geheimzinnige briefjes ook lezen. Je vond ze op een straathoek. Tegen een boom geprikt. Aan een lantaarnpaal gehangen. Op de plek waar Bert had leren fietsen. Over de dag dat haar dochters allebei met dezelfde rode strik in het haar naar school waren gegaan. Over een vechtpartij, toen de overbuurman een inbreker had betrapt. Over die nacht dat tante Annie helemaal in de war in haar nachtpon over straat had gedwaald. Over die drie Turkse jongens die hier op een zondagmiddag opeens over de Van der Pekstraat hadden gelopen, de allereerste gastarbeiders die ze zag, en hoe stoer ze die jongens stiekem had gevonden, met hun snorren, hun bloemetjeshemden en hun wijde broekspijpen.

En thuis deed ze het ook. Met van die gele plakkertjes. Op de spiegels, op de hangklokken, aan de voetjes van al die kleurige hondjes.

Mensen in de buurt begonnen erover te praten. En ze ontdekten dat het Jannie was, die al die enveloppen met briefjes neerlegde. Jannie werd populair. Zelfs de kinderen uit de buurt kwamen bij haar aan de deur vragen wanneer ze weer nieuwe briefjes ging verstoppen. Niemand nam die brieven mee. Alleen als het regende. Dan gooiden mensen de enveloppen bij haar door de bus, soms al een beetje natgespetterd, maar nog niet doorweekt. Zodat zij ze kon bewaren.

Jannie vond die plotselinge aandacht wel fijn. Niet voor zichzelf, maar voor al haar Karels en Gerda’s en Berts en Willems en Miens en Johans. Die zo toch niet werden vergeten. Het was soms zelfs bijna alsof ze er weer waren.

Een van die studenten, die toen bij haar aan de deur was geweest voor dat onderzoek over eenzaamheid in de buurt, was intussen twee straten verderop komen wonen. Ze kwam haar wel eens tegen op straat. En dan liep Jannie, die anders altijd iedereen groette onderweg, haar straal voorbij. Met zo’n minzaam lachje om de lippen. Ik, eenzaam – hoe kom je erbij?

Op een dag kwam ik weer eens op bezoek. Ik zei: Jannie, ze zijn mooi, al die verhaaltjes. Maar jij bent veertig jaar ouder dan ik. Ik wil niet alleen die verhaaltjes en herinneringen van jou horen. Want die zijn op een dag toch echt wel op. Ik wil er ook iets van leren. Jij hebt zoveel meegemaakt wat ik nog moet ontdekken. Als jij ons alleen maar vertelt wat jij hebt meegemaakt, en waar je je eerste kusje hebt gehad en je eerste vechtpartij hebt gezien, dan weet ik het op een gegeven moment wel.

Jij hebt niet alleen herinneringen. Jij hebt ook levenswijsheid. Meer dan ik. Veertig jaar meer. Wat kan ik daarvan leren? Waar hoef ik niet meer bang voor te zijn? Wat moet ik nog eens proberen voor het te laat is? Wat zou ik slimmer kunnen doen?

Jannie keek me aan, met die scherpe oogjes. Ze lachte wat en zei dat ze erover zou nadenken. Ze sloot zich een paar dagen op. En kwam toen met een antwoord. Opnieuw begonnen we enveloppen te vinden. Tegen de boom, aan de lantaarnpaal, op een bankje. Maar nu begon elk briefje dat erin zat met een vraag. Een vraag van Jannie aan zichzelf.

Hier heb ik mijn eerste kusje gekregen. Van Willem. Het was er maar eentje. Had ik hem zijn zin moeten geven toen hij vroeg of ik zondag weer met hem op het bankje kwam zitten?
1. Nee, want later ben ik getrouwd met Karel, en we hebben het veertig jaar lang prima met elkaar volgehouden.
2. Ja, want die Karel was soms toch echt maar een dooie, die hele dagen op de bank hing toen hij geen werk meer had op de werf. Met Willem was het leven vast veel spannender geweest!
3. Misschien, want ik was nog jong genoeg om dat soort belangrijke besluiten nog even uit te stellen.

En zo kwamen er in al die enveloppen van Jannie geen herinneringen meer te staan, maar vragen. Had ik niet moeten gaan werken, toen de kinderen het huis uit waren? Had ik eigenlijk geen geld moeten lenen aan mijn zwager Harry, toen hij er opeens alleen voor stond? Had ik eigenlijk geen pannetje soep naar mijn Turkse overbuurvrouw moeten brengen, toen die haar zoon was verloren bij een ongeluk op de grote vaart?

En op al die vragen schreef ze altijd drie antwoorden op. Slimme of domme antwoorden, dat maakte niet uit. Ze wilde er alleen maar mee duidelijk maken dat je altijd keuzes hebt. En dat je niet altijd moet doen alsof je de juiste hebt gemaakt. Dat je ook wel eens van gedachten mag veranderen. Want die luxe heb je gewoon, als je wat ouder wordt en ruimer in je tijd zit.

Jannie vertelde me dat ze zichzelf elke avond, als ze in bed lag en weer eens niet kon slapen, een herinnering vertelde, en zichzelf dan de vraag stelde hoe het ook had gekund. Toen keek ze me aan: Want dat is nou levenswijsheid, jongen.

Een paar maanden geleden ben ik verhuisd. Naar de Vogelbuurt. Ik had Jannie mijn nieuwe adres gegeven en ik beloofde haar op een mooie zondagmiddag eens op te halen om haar mijn nieuwe huis te laten zien. Ik was eigenlijk heel benieuwd of ze dan een envelopje bij me achter zou laten, dat ik pas later zou vinden – en welke vraag daar dan in zou staan.

Maar in november viel er een ander soort envelop in de bus. Zo eentje met een zwarte rouwrand. Jannie was overleden. 93 jaar oud. Op haar begrafenis, op de Noorderbegraafplaats, waren heel veel mensen. Jong en oud. Allemaal enveloppenopenmakers, die Jannie pas hadden leren kennen door al die verhalen en vragen van haar. Mensen die iets hadden opgestoken van haar levenswijsheid.

Haar laatste vraag werd voorgelezen door haar oudste dochter Gerda.

Welke muziek wil ik horen op mijn crematie?
En haar drie kleindochters lazen de antwoorden voor.
De eerste zei: Hazes.
De tweede zei: Hazes.
En ook de derde zei: Hazes!

Want over sommige vragen in het leven hoef je geen seconde te twijfelen.
Ook dat heb ik geleerd van buurvrouw Jannie.
Gelukkig Kerstfeest, Jannie!

 

Dit kerstverhaal is uitgesproken op het kerstdiner voor oudere Noorderlingen in de Tolhuistuin

Reacties


ilovenoord