Noordkronieken: Mijn verhaal: twee kamers en een keukentje

Toneelschrijfster Maaike Bergstra vroeg me hoe ik in Noord terecht ben gekomen en waarom ik er nooit meer weg wil. Van dat verhaal maakte ze een monoloog, die tijdens Noorderwoord werd voorgelezen door Hans Dagelet, in het Zonnehuis op 16 maart. Ik ben er trots op. Voor mensen die willen weten wie nu toch die Noordkronieken schrijft: dit is mijn verhaal.

Geluid van een Egyptisch televisiestation.

Mag ik een Southern Comfort, Amal?

Ik was vierenvijftig
toen ik mijn geboortehuis in Tunis voor de eerste keer terugzag.
De meeste huizen waarin ik heb gewoond bestaan niet meer,
maar dit staat er nog.
Ik had alleen een straat en een huisnummer.
Een paar oude Tunesiërs hadden me verteld waar het moest zijn,
maar ik kon het niet vinden.
Sinds wij er vertrokken is de stad enorm gegroeid
en alle straatnamen zijn veranderd:
Franse, koloniale namen eruit, nieuwe, Arabische namen erin.
Toen heb ik mijn vader gebeld,
die heeft een fotografisch geheugen.
Hij heeft mij aan de telefoon naar dat huis geloodst.
‘Zie je links een trambaan? Oké, dan moet je naar rechts.’
‘Zie je rechts een schoolgebouwtje? Dan moet je nu naar links’
Opeens stond ik voor een mooi, wit hoekhuisje aan een pleintje.
Ik dacht:
nou, als je ergens geboren moet worden,
is dit helemaal geen slechte plek.
Tunis is een hele zonnige stad met witte gebouwen.
Heel schoon, voor Arabische begrippen, en heel groen.
Wij woonden op de eerste verdieping:
balkonnetje, lichtblauwe luiken die wijd open stonden.
Het was een heel klein huisje, zag ik,
twee kamers en een keukentje.

Egyptisch televisieprogramma wordt uitgezet.

Je hebt nieuwe stoelen, hè? Hoe lang zitten jullie hier nu?

Ja, ik ga altijd voor mijn eten de deur uit,
dus ik kom in alle horecagelegenheden.

Hier in de Van der Pekstraat had je eerst drie Turkse koffiehuizen
en café Oud Noord.
Die Turkse koffiehuizen zijn weg,
sinds ze de straat hebben opgeknapt.
Ik vind het leuk om de verschillende sferen op te snuiven
op die plekken
om er dan natuurlijk achter te komen
dat er tussen die Turkse koffiehuizen ook weer verschillen zitten.
Maar de mensen van Oud Noord en de koffiehuizen
kwamen nooit bij elkaar op bezoek.
Behalve in 2008, toen zowel Turkije als Nederland
meedeed aan het Europees kampioenschap voetbal.
Toen stonden ze met elkaar in de kroeg
als het ene of het andere land speelde.

Wat loop je moeilijk, Amal, je voeten he?

Nee, het wordt er niet beter op, zie ik.

Ja, dat is vervelend.

Dat soort zoekt soort, dat roept bij mij altijd een enorme weerstand op.

Mijn vader was ontwikkelingswerker, landbouwkundig ingenieur.
Hij vertrok op zijn vijfentwintigste uit Wageningen
met het doel de honger de wereld uit te helpen.
Op de eerste plek waar mijn ouders terechtkwamen werd ik geboren.
Aan Tunis heb ik geen herinneringen,
daar heb ik maar anderhalf jaar gewoond.
Ik heb leren lezen en schrijven in Bobo-Dioulasso
een stad te midden van sheabomen op rode aarde in Burkina Faso
en ik ging in Bagdad naar een Amerikaanse school.
Dat was nog een hartstikke mooie en leuke stad in de jaren ’60.
Bloedheet,
glimmende bussen in straten met eeuwenoude minaretten.
Op mijn negende gingen we naar Bogor, vlakbij Jakarta.
Een onwaarschijnlijk groene plek met hoge palmbomen
aan de voet van een vulkaan
met in de omgeving glooiende theeplantages.

André Hazes wordt opgezet.

Op mijn elfde kwam ik terecht in Amersfoort.
Alles in Nederland was voor mij exotisch:
sneeuw, de televisie, de Hollandse popmuziek.
Kort nadat ik hier aankwam las ik dat The Cats de beste band
uit de geschiedenis van de Nederlandse popmuziek was.
Dus dat zijn ze tot op heden voor mij ook:
iets mooiers dan The Cats heeft Nederland nooit voortgebracht.
Maar het heeft mij zeker drie jaar gekost
om mijn plek te vinden in Nederland.

Ik ben van nature niet zo’n grappenmaker.
Ik ben niet iemand die binnenkomt
en meteen de ziel van het feestje is.
Ik heb geleerd ervoor te zorgen dat ik óf niet opval óf gedoogd word.
Om me heen te kijken: wat zijn hier de codes?
En pas als ik dat weet, ga ik bewegen.
Mijn redding was het voetballen.
In Indonesië heb ik leren keepen
en dat ben ik blijven doen in Amersfoort.

Kijk, het soort jeugd dat ik heb gehad is niet traumatisch,
maar het vormt je wel.
Grofweg groeien er twee soorten mensen uit:
mensen die altijd blijven reizen
en mensen die nooit meer willen reizen.
Ik word heel gemakkelijk met iedereen vrienden,
maar ik ben ook makkelijk weer weg.
Ik kan met god en iedereen omgaan,
maar ik ben ook rusteloos.
Mijn huis, mijn vrienden, mijn hond,
die waren er altijd maar eventjes.
Kennelijk heb ik daardoor toch een defensiemechanisme ingebouwd
waardoor ik later vrienden en geliefdes kon laten geloven dat er nooit iets tussen ons in zou komen te staan
en plotseling was ik dan toch weg.

Ik moet altijd weg als de dingen te veel op orde raken.

In 2006 was ik aan het nadenken:
waar ga ik wonen, in Beiroet of Sarajevo?
In die week belde Harry van den Berg me,
die kende ik nog van vroeger van de CPN, waar ik nachtportier was.
Hij werkte bij het wetenschappelijk bureau
en ik zag hem vaak ’s avonds laat
na een lange dag werken naar buiten lopen.
Nu zit hij hier in een heel betrokken bewonersorganisatie:
Amsterdam Noord Groene Stad Aan Het Water.
Ik had hem jarenlang niet gezien
en toen belde hij opeens:
‘Shell gaat weg uit de kantine, dat gebied komt vrij, wil jij een plan maken?’

Hé Piet! Hoe gaat het?

Ja, dat was nog wat, hè, met VVSB?

Nee joh, te mooi om waar te zijn.

Ik kan aan niemand uitleggen waarom ik het hier zo fijn vind.
Maar ik had dat vanaf de eerste minuut.

Ik liep de Tolhuistuin binnen toen Shell er nog zat
en ik wist:
dit is een kans die krijg je één keer in je leven.
Alles wat ik mooi vind aan culturele plekken
dat kan hier.
Een omgeving die ervoor gemaakt is om al mijn idealen in één keer uit te leven:
grote ruimtes en kleine ruimtes,
binnenruimtes en buitenruimtes,
werkplekken en speelplekken.
En toen we eenmaal de wedstrijd hadden gewonnen voor die plek,
– want we schreven een plan en moesten in competitie –
kwam ik iemand van Ymere tegen
en ik zei hem dat ik hier graag wilde wonen.
Deze hele buurt is van Ymere.
En die man zei:
‘We hebben net een heleboel tijdelijke woningen in de aanbieding. Hier is de sleutel van de Jasmijnstraat 4.’
En het paste helemaal bij mij.
Tijdelijk.
Twee kamers en een keukentje.

Beiroet en Sarajevo zijn allebei prachtige steden
waarin je je goed te voet kunt verplaatsen.
Heel oud, maar ook enorm toegetakeld door de oorlog.
Die zijn voorlopig nog niet af, zeg maar.
Beiroet ligt aan zee, tegen een helling op, en is minstens elke honderd jaar een keer binnengevallen en deels verwoest.
Je ziet daar alle lagen geschiedenis op elkaar gestapeld liggen,
van voor de Romeinen tot aan nu.
Heel in het klein heb je dat hier rond het Mosplein eigenlijk ook.

Nee, dank je, Amal, ik heb al wat gegeten, het is goed.

Kijk: het Mosplein is toch het mooiste lelijke plein van Nederland.
Een botsing van verschillende bouwstijlen en periodes.
Net alsof die allemaal op een bepaald moment op deze rotonde zijn afgereden en hier stil zijn blijven staan.
Nu zijn ze alles aan het vernieuwen
maar wat mij betreft blijft het Mosplein eeuwig zoals het was:
een beetje sjofel.
Als een oude spijkerbroek,
niet echt mooi, maar het past.

Maar alles verandert hier nu snel
en dat is onder andere mijn schuld.
Ik denk wel dat het goed is voor Noord
dat er zo veel nieuwe dingen komen,
zoals de Tolhuistuin.
Maar voor mij werkt het alleen maar als het ten goede komt aan
en geaccepteerd wordt door de mensen die hier wonen.
Ik heb moeite met blije, jonge, witte mensen
die hier komen wonen of werken en zeggen
‘Fantastisch, dit is terra incognita, hier kan alles nog’
en er vervolgens achter komen dat er ook nog inboorlingen wonen.
Het mooie van Noord is juist
dat je het er niet op het eerste gezicht aan af ziet
maar dat er ontzettend veel schoonheid en geschiedenis in zit.

Het aller-Hollandste dat er is,
die ouwe, Amsterdamse sfeer,
André Hazes en cafeetjes met tapijtjes op de tafels,
dat vind je bijna nergens meer zo puur als hier.
En van The Cats, Volendam, naar André Hazes,
dat is eigenlijk geen grote stap.
Tegelijkertijd voel ik me met de verandering van de bevolking
elke dag meer thuis in Amsterdam.
De combinatie van dat oer-Amsterdamse
en dat super internationale
dat zit hier op de vierkante meter bij elkaar.

De Tolhuistuin moest een plek worden zoals Noord zelf:
een rare, bonkige,
niet bij elkaar passende
combinatie van stijlen en kleuren.
Acht jaar heb ik eraan gewerkt,
dag en nacht.
Het was geen luxebaan.
Er waren tijden dat ik geen geld had om boodschappen te doen.
Het heeft veel van mij gevraagd.
En ook van anderen.
De zalen, het restaurant, het park, het dorp van creatievelingen in de gebouwen er omheen:
de Tolhuistuin leeft.
Maar wat ik heb onderschat
is hoe hardnekkig mensen zijn
in het opzoeken van wat ze kennen,
hoe diep dat bij veel mensen zit.
Er zijn ontzettend veel verschillende ruimtes en plekken
in de Tolhuistuin,
maar elke ruimte wordt gevuld
door mensen die op elkaar lijken.
Ik wil dat de kids die beneden in de hip hop school zitten
boven gratis naar de concerten mogen,
maar dat zijn dingen die niet makkelijk kunnen of gebeuren.
Maar ik vind het ongelooflijk stoer
dat ik mag zeggen
dat ik de Tolhuistuin aan de stad heb toegevoegd.
Als ik het niet had gedaan dan was het
waarschijnlijk
niet gebeurd.

Ik moet altijd weg als alles begint te kloppen.
Maar ik heb nu een vriendin waar ik voor altijd bij wil blijven
en we wonen samen in Noord.

Er is me al twee keer overkomen,
net als nu,
dat ik ergens binnenkwam
– een keurige blanke man in een lange jas –
en dat de televisie uitgezet werd
die op een Turkse of Egyptische zender stond,
en dat iemand onder de toonbank dook, zoals jij net,
en Hazes opzette.
Er komt een Hollander binnen,
en waar houden Hollanders van…?

Ik voel me hier welkom.
Dat geeft me de moed om me niet meer aan te passen.

Als keeper stond ik erom bekend
dat ik de hele zaak bij elkaar schreeuwde en vloekte
en negentig minuten non-stop aan het brullen was.
Iedereen verbaasde zich erover
dat ik op het voetbalveld zo anders was dan ernaast.
‘Zien we daar op het veld de echte Chris?’
vroeg een jongen uit mijn team eens.
‘Of ben je buiten het veld de echte Chris?’
Dat weet ik nog steeds niet.
Maar dat kan ik nu uitzoeken,
want ik ben sinds een jaartje geen voetballer meer.
Ik heb hier ontdekt
dat je niet onder stoelen of banken hoeft te steken
dat je anders bent dan anderen
zo lang je maar ‘echt’ bent.
Dan is het hier oké.
Dan word je geaccepteerd.
Wie je ook bent.

En Noord blijft altijd op een beetje een slaperige manier onaf.
Voordat het Zonneplein aan kant is,
dat ga ik niet meer meemaken.
Ik zeg niet dat ik het fijn vind als het plein zieltogend is
alleen hoop ik dat het opknapt op zijn Noords:
met niet bij elkaar passende winkels van ondernemers die gewoon dwars door alles heen beuken om er een succes van te maken.

Op het moment dat het Zonneplein is aangeharkt,
vol zit met fijne koffietentjes en kinderkledingwinkeltjes,
ja, dan wordt het tijd om ergens anders op zoek te gaan
naar twee kamers en een keukentje.

Mag ik nog een Southern Comfort?

Reacties


ilovenoord